* Het paard beweging geven.
Dit doen we bij paarden die om de een of andere reden niet gereden kunnen worden, zoals b.v. gedrukte paarden of paarden die geheel op rust staan. Hiervoor hebben we niet per sé zadel, longeersingel of hulpteugels nodig. Ook paarden die teveel stalmoed vertonen om ze direct te bestijgen kunnen we even laten afreageren.
* Het groene paard zadelmak en teugelwijs maken en hem vervolgens vertrouwd te maken met de ruiter en hem leren te gehoorzamen.
De natuurlijke volgorde om een paard de voorwaartse hulpen te leren, zijn eerst het stokje, dan de stem, en tenslotte de benen. Tijdens het longeren leren we hem dus al de voorwaartse hulpen met de longeerzweep (chambriëre) terwijl de stem, die grote hulp, eveneens tot onze beschikking staat, waarbij alle onlustgevoelens tengevolge van het ruitergewicht worden voorkomen. Wanneer we hierbij een niet te korte bijzetteugel gebruiken, dan leert het paard ook het bit te accepteren zonder dat hiermede ingewerkt wordt. Het groene paard dat na enkele weken op beide handen in de drie gangen rustig aan de longe gaat, en vertrouwen aan zijn ruiter (longeur) schenkt, heeft dan reeds een heel stuk van zijn basisopleiding afgelegd.
* Het paard gymnastiseren
Met de hulp van de verschillende soorten hulpteugels of dubbele longe, door systematische arbeid op beide handen het paard gymnastisch ontwikkelen, waardoor hij al zijn spieren in de juiste harmonie gaat gebruiken, waardoor hij sterker en leniger wordt en daardoor makkelijker bestuurbaar en gehoorzamer, omdat hij de gevraagde oefeningen beter aankan. Het spreekt voor zichzelf dat de longeur hiervoor over een grote mate van rijkunstig gevoel en ervaring moet beschikken, daar anders het longeren al snel een kwelling voor het paard wordt.
* Het verreden paard corrigeren
Soms is het beter om deze paarden een tijdlang te longeren, voordat we ze onder het zadel gaan trainen, om ze tot strekken van hals en rug te brengen, door ze in een regelmatige gang te laten stappen of draven. Is er misbruik gemaakt van een scherp bit , dan is het beter om gebruik te maken van een kaptoom zodat het paard rust krijgt in de mond. Bij echt ongehoorzame paarden, en paarden die steigeren, maken we gebruik van de dubbele longe.
* De longe
De longe is een 2,5 cm brede band van deugdelijk materiaal, niet te dik en voldoende soepel die niet korter is dan 9 meter, omdat het paard dan op een te kleine cirkel moet lopen. Langer dan 11 meter heeft geen nut (buiten het bereik van de zweep). De longe is zonder onderbrekingen (zoals knopen), met een lus aan de ene kant en een ruime bevestigingshaak (karabijn of musketon) of een gesp met stoot aan de andere kant.
Om het in spiralen draaien van de longe tegen te gaan, kan men een wartel laten aanbrengen tussen de bevestiging en de longe.

* De zweep (chambrière)
De zweep is samen met de slag even lang als de straal van de cirkel, ongeveer 8 meter om het paard te kunnen treffen in een cirkel van 16 meter doorsnede. In de praktijk blijkt echter dat de longeerzwepen van deze lengte bijna niet meer voorkomen. Zij zijn nog wel te koop, maar zijn ongeveer 10 maal zo duur als de meest gangbare kunststof longeerzweep. Deze zijn echter niet langer dan 4 à 4,5 m. Om het paard te kunnen treffen zullen we dus van een andere techniek gebruik moeten maken.
Het hanteren van de zweep (film)
* De longeersingel of zadel
De longeersingel biedt meer mogelijkheden door de verschillende bevestigingspunten voor de bijzetteugels. Sommige longeersingels lijken veel te lang, maar deze singels zijn speciaal gemaakt om over het rijzadel heen te gebruiken.

Bijzetteugels worden met het ene uiteinde bevestigd aan de singel (of zadel) en aan het andere einde aan de zijringen van het kaptoom of hoofdstel. De rubbers zijn iets rekbaar, maar niet teveel anders gaan de paarden hangen.

Het is ook mogelijk om te longeren met behulp van een kaptoom. De kaptoom zou men het beste kunnen beschrijven als een trenshoofdstel zonder teugels, meestal zonder bit en met een zogenaamde Engelse neusriem (hoge neusriem).

Een niet passend kaptoom zal het paard hinderen, pijn doen en aan het hoofd beschadigen. De plaats van de neusriem is twee vingers onder het jukbeenuitsteeksel. Ligt de neusriem hoger, dan stoot de ijzeren beugel tegen dit uitstekend bot; ligt de neusriem lager, dan drukt de zware beugel op het zachte gedeelte van de neus de neusgaten dicht.
* Africhtingshoofdstel
Longeren kan met een hoofdstel. De longe wordt bevestigd om de neusriem en door de trensring. Bij bevestiging van de longe aan het bit alleen wordt het bit gemakkelijk door de mond getrokken.
Het bevestigen van de longe aan de lage neusriem (film)
![]() |
Wanneer er geen longeerriempje voorhanden is kunnen we de musketon aan de bitring en het ringetje van de neusriem tezamen bevestigen |
![]() |
.... of we slaan de longe dubbel |
![]() |
Bevestiging met riempje aan de gecombineerde neusriem. |
![]() |
Bij een stoere mond; voordeel van het riempje is; geen beschadiging aan de kaakranden door de musketon Vereist wel meer gevoel van de longeur! |

* Werkbandages of beenbeschermers
De werkbandage is er om de pezen iets te ondersteunen bij arbeid in de zware bodem.
Paard rustig benaderen.
Niet op de knieën zitten.
Altijd opletten tijdens het werk.
Altijd lappen eronder, bandage in dezelfde richting draaien als de lap.
Kruis op de kogel.
Bovenaan eindigen.
Nooit langer dan een uur!
Beenbeschermers dienen om de benen te beschermen tegen het strijken.
Voorbenen pijpkousen (niet te verwarren met beenbeschermers).
Achterbenen strijklappen.
In de meeste gevallen zal men in een binnen- of buitenrijbaan longeren. Dit heeft zijn bezwaren omdat het paard aan de longe in het algemeen op een cirkel loopt, terwijl de rijbaan langwerpig is. De hoefslag die ontstaat in de bodem van de rijbaan door het longeren, hetzij aan een van beide korte zijden, hetzij op het midden, is hinderlijk voor de andere ruiters in die rijbaan en vereist extra werk om de bodem weer te egaliseren.
Een tweede bezwaar is, vooral met jonge paarden en bij het leren longeren, dat het paard uit de cirkel kan breken als het niet door een omheining wordt opgesloten. Een cirkel kan afgezet worden met staanders en hindernispalen, met strobalen of iets anders.
Een cirkel met een doorsnede van 16 meter is goed. Een cirkel is bijna nooit te klein, zolang het paard rustig en ontspannen gelongeerd wordt. Een cirkel is wel te klein als het paard gespannen en vluchterig loopt doordat er b.v. slecht gelongeerd wordt.
Een vlakke, veerkrachtige, slipvaste en niet te zware bodem is erg belangrijk (in verband met: snel vermoeid raken, pees blessures etc.)
* De stemhulp
Bij het longeren kan de stem een zeer belangrijk hulpmiddel zijn. Men kan de stem aanmoedigend, rustgevend, bestraffend of dringend laten klinken. Paarden zijn erg gevoelig voor geluiden. Door alleen maar de stem hard te laten klinken dient men het paard al een behoorlijke bestraffing toe.
Steeds onafgebroken stemhulpen geven of klikken met de tong is niet goed, omdat het paard dan afstompt op die hulpen, ook op het moment dat de stemhulp wel van belang is.
* De zweep
De stemhulpen kunnen ondersteund worden door de zweep. Met de zweep kan een paard dat binnendoor loopt naar buiten worden gedreven en het tempo wordt met de zweep regelmatig gehouden, zonder dat het paard wordt opgejaagd.
* De plaats van de longeur
Alleen bij de eerste keren kan je op een kleine cirkel meelopen, daarna blijf je zoveel mogelijk op het midden van de cirkel staan. Bij teveel lopen wordt het longeren veel onrustiger. Tevens zie je vaak dat de ddruk van de lijn afloopt en dat de plaats van de cirkel verandert.
Het paard kan aan de longe iets aangedreven worden door meer achter het paard te gaan staan. Omgekeerd kan het tempo worden teruggedrongen door iets voor het oog van het paard te gaan staan.
Opmerking
Een paard reageert bij een rustige ruiter anders dan bij een nerveuze ruiter, ook al lijken de hulpen die ze geven op elkaar. En ook bij longeren geldt: De beste hulpen zijn de onzichtbare hulpen!
* Bijzetteugels
Als men een paard voor het eerst longeert, dan is het verstandig om zonder hulpteugels te beginnen.
Ontspant het paard zich en heeft men wat meer controle (zeggenschap) over het paard, dan kan men het paard b.v. met een bijzetteugel longeren.
Met behulp van bijzetteugels heeft men nu ook invloed op de houding van het paard.
Jonge paarden en paarden die nog niet eerder met de bijzet zijn gelongeerd, worden eerst lang en laag bijgezet.
Een paard is goed bijgezet als hij recht door de hals en over de rug loopt en de neiging heeft om in de schoft te stijgen, waarbij de neus van het paard altijd voor de loodlijn moet blijven.
Wanneer het paard te diep gaat of achter de loodlijn, dan wordt hij in zijn schoudervrijheid belemmerd.
De manier van bijzetten is afhankelijk van:
Paard bijgezet aan een halster (film zonder toelichting)
voordeel is dat het paard het hoofd niet te hoog kan brengen, er is nog geen enkele verbinding met de mond.
Te gebruiken bij paarden met een gevoelige (jonge dieren) of beschadigde mond.
Het touwtje is een nylon koord van 6 meter lengte en 5mm dikte.
In het midden maken we een knoopje
Het touwtje biedt vele voordelen:
Bevestigen van het touwtje:
Men doet het koord met het knoopje op het midden van het zadel.
De ene 3 meter bevestigt men zoals op het filmje te zien is, beginnend links achter de singel, door de bitring en eindigend tussen de voorbenen.
De andere kant wordt net zo bevestigd.
Omdat de ruiter de gangen van het paard wil beïnvloeden, is het noodzakelijk dat hij volkomen op de hoogte is van het bewegingsmechanisme van de gangen. We noemen een diagonaal paar benen naar het voorbeen, dat tot de diagonaal behoort. Het diagonaal benenpaar rechtervoorbeen en linkerachterbeen noemen we dus de rechterdiagonaal.
* unipedaal = één been op de grond
* diagonaal = een linker- of rechterdiagonaal benenpaar op de grond
* lateraal = twee linker- of twee rechterbenen op de grond
* tripedaal = drie benen op de grond
* Stap
De stap is een gang in vier tempi, dat wil zeggen dat de vier benen van het paard afwisselend en afzonderlijk worden opgetild en neergezet. Beginnend met het linkerachterbeen is de volgorde: linksachter, linksvoor, rechtsachter en rechtsvoor.
|
Stap schematisch |
1. Het linkerachterbeen is opgelicht; tripedale ondersteuning 2. Het linkervoorbeen wordt opgelicht; laterale ondersteuning 3. Het linkerachterbeen wordt neergezet; tripedale ondersteuning 4. Het rechterachterbeen wordt opgelicht; diagonale ondersteuning 5. Het linkervoorbeen wordt neergezet; tripedale ondersteuning 6. Het rechtervoorbeen wordt opgelicht; Laterale ondersteuning 7. Het rechterachterbeen wordt neergezet; tripedale ondersteuning 8. Het linkerachterbeen wordt opgelicht; diagonale ondersteuning 9. Het rechtervoorbeen wordt neergezet; tripedale ondersteuning De stap is een voortdurende afwisseling van laterale, tripedale, diagonale en tripedale ondersteuning. Klik met de rechtermuisknop op het plaatje en klik op play om de animatie te starten of te stoppen |
* Draf
De draf is een gang in twee tempi met een zweefmoment. De diagonale benen worden gelijkmatig opgelicht en weer neergezet. Tussen het oplichten van het ene diagonale paar en het neerzetten van het andere ligt het zweefmoment, waarbij alle vier de benen van de grond zijn.
|
Draf schematisch |
1. Zweefmoment 2. Rechterdiagonaal wordt neergezet; diagonale ondersteuning 3. Zweefmoment 4. Linkerdiagonaal wordt neergezet; diagonale ondersteuning 2e tempo 5. Zweefmoment Klik met de rechtermuisknop op het plaatje en klik op play om de animatie te starten of te stoppen |
* Galop
De galop is een gang in drie tempi met een zweefmoment. Bij de galop onderscheiden we de galop rechts en de galop links, naarmate bij het neerzetten de beide rechter- of de beide linkerbenen voor de nevenbenen worden geplaatst. Als de diagonale benen voor hun nevenbenen worden geplaatst, dan noemen we de galop overkruist.
We kennen in de rijkunst ook nog de zogenaamde contragalop. Het paard galoppeert dan op de rechterhand de links en op de linkerhand rechts. Aan de houding, de buiging en de gewichtsverdeling worden dan echter wel speciale eisen gesteld, ze moeten rijkunstig juist zijn.
In de rechtergalop gaat het oplichten en neerzetten van de benen in deze volgorde: linksachter, linkerdiagonaal (linksvoor + rechtsachter), rechtsvoor en daarna volgt het zweefmoment.
|
Galop schematisch |
1. Zweefmoment 2. Linkerachterbeen wordt neergezet; unipedale ondersteuning (1e tempo) 3. Linkerdiagonaal wordt neergezet; tripedale ondersteuning (2e tempo) 4. Linkerachterbeen wordt opgelicht; diagonale ondersteuning 5. Rechtervoorbeen wordt neergezet; tripedale ondersteuning (3e tempo) 6. Linkerdiagonaal wordt opgelicht; unipedale ondersteuning 7. Rechtervoorbeen wordt opgelicht 8. Zweefmoment Klik met de rechtermuisknop op het plaatje en klik op play om de animatie te starten of te stoppen |
De galop is een drie tempi gang. Wordt de galop uitgestrekt tot rengalop, dan vindt de beweging plaats in vier tempi. De linkerdiagonaal in de rechtergalop wordt niet meer gelijk neergezet, maar het rechterachterbeen raakt de grond eerder dan het linkervoorbeen. De voortstuwende kracht wordt meer gezamenlijk ontwikkeld door beide achterbenen.
* Warming-up
De warming-up duurt ongeveer 10 minuten.
Men begint met rustige, ontspannen en ritmische arbeid.
De temperatuur stijgt en er treedt een betere doorbloeding op naar de spierweefsels, waardoor zij minder blessure-gevoelig worden.
Het reactievermogen versnelt en de stofwisseling verbetert.
Daarna begint men korte perioden met oefeningen in te lassen waarbij het paard steeds meer belast moet worden.
Geef het dier na enige inspanning wel de kans op weer op adem te komen.
Oefeningen zoals fanatiek draven en galopperen, heuveltrainingen, maar ook dressuurmatig zwaardere oefeningen (achterwaarts, schouderbinnenwaarts) zijn hiervan voorbeelden.
Daarna gaat men over op duur-training, waarbij er minder intensief belast wordt, maar de tijd van werken wordt langer.
Je kan het paard b.v. 10 minuten aan de teugel laten draven, 5 minuten laten galopperen of iets anders.
Afhankelijk van de getraindheid van het paard kan men langer of intensiever oefenen.
* Cooling-down
Na afloop van een training is het van belang dat het paard goed wordt uitgereden in een "sukkel drafje" of in stap.
Zorg er tevens voor dat het paard warm blijft en niet te snel afkoelt, hierdoor kan spierpijn ontstaan.
Een goede cooling-down en verzorging na het rijden zijn alweer de warming-up voor de volgende training.
Geef het paard na een zware wedstrijd of training een dag weidegang of longeer het licht.
Het paard krijgt daardoor toch een licht warming-up, hierdoor ontstaat betere doorbloeding.
De goede doorbloeding zorgt ervoor dat de afvalstoffen (melkzuren) afgevoerd worden.
Zo herstelt een paard zich beter en kan het dier zijn werk beter aan.
Longeren 1 ©2001 AOC de GroeneWelle
Tekst en Regie F. Berings, productie en codering H.P.J. Goudappel